Glasnegatieven

PRECISIE & REPRODUCEERBAARHEID

De daguerreotypie leverde een uniek maar niet reproduceerbaar beeld op. Een zoutdruk en calotypie waren van mindere kwaliteit door de onregelmatige structuur van de papiervezel. Hierdoor werd er gezocht naar een nieuw materiaal waarmee de precisie van de daguerreotypie en de reproduceerbaarheid van de papieren negatieven gecombineerd en geëvenaard konden worden. Zo werd rond 1847 een procedé beschreven met een glazen drager. Rond 1851 werd de definitieve basis voor het analoge negatief / positiefsysteem gelegd met de uitvinding van het nat- collodiumprocedé.

DIAPOSITIEF

‘Negatief / positief’ verwijst niet naar een procedé, maar naar het beeld dat gemaakt wordt door het licht. Omdat voor de beeldvorming gebruik gemaakt wordt van lichtgevoelig materiaal, ontstaat bij belichting een negatief beeld in de camera. Van een negatief kan er herhaaldelijk een omgekeerd of positief beeld gemaakt worden. Als een negatief opnieuw wordt afgedrukt op lichtgevoelig gemaakt glas, dan is het resultaat een glaspositief of ook wel ‘diapositief’ genoemd.

KUNSTSTOFDRAGERS

Toch bleek glas niet de ideale drager te zijn. Het gewicht en de breekbaarheid waren redenen om een lichtere en onbreekbare vervanger te zoeken. Zo werd in 1890 de nitraatfilm op de markt gebracht. Tegen het einde van 1920 werd de glazen drager grotendeels verdrongen door de kunststofdrager. Glasnegatieven bleven nog in gebruik tot kort na de Tweede Wereldoorlog.

BEWAREN VAN GLASNEGATIEVEN

Glasnegatieven kunnen met de tijd chemisch veranderen.  Zo kan het glas brosser en minder transparant worden, patineren en zelfs gaan tranen. Glasnegatieven worden het beste bewaard in een droge en stabiele atmosfeer. Een temperatuur van 18 tot 20 graden en een relatieve vochtigheid van 50% zijn aangeraden.

Meer informatie over glasnegatieven kun je vinden in de folder Glasnegatieven, die te koop is in de FOMU-shop. In deze reeks verscheen eerder de folder Daguerreotypie.